De buren
Ze zaten voor mijn huis hun feest te vieren
ze hadden bier, en wijn, de sleutel van mijn voordeur
Het waren niet alleen buren van nu maar ook die
van veertig, dertig jaar geleden. Alle buren ooit.
Ze hadden mijn stoelen naar buiten gesleept
ze zongen en lachten en liepen in en uit
met de inhoud van mijn koelkast, mijn kelder
onder hun armen geklemd.
Ze riepen en vertelden verhalen. Mij zagen ze niet.
Ik stond op de rand van de stoep
aan de overkant van de straat.
Getergd riep ik wat. ‘t Moet
zoiets zijn geweest als:
verdwijn, vertrek, rot op. Maar het meeste nog riep ik
-dat weet ik zeker- waarom was ik niet uitgenodigd?