De Genemuidense
Het kleurloze haar in doffe lokken
om ’t langgerekte hoofd bij atlas saamgeknot
De witte accolade van de mond
door louter zwaartekracht omlaag getrokken
Zij mompelt lege zinnen, bestaande uit:
‘kom hier’, ‘ga weg’ en wat het al niet kost
het bloedeloze lijf in winkels uitgedost
met kransen bont en schapenleren rokken
het nylon weliswaar, zo tussen ham en kuit
nog zichtbaar ’t kruis – die woordenloze droogte
daar uitgestald als het halsstarrig lonken
van een onteerde, niet begeerde bruid.